Mens & samenleving Natuur & landschap

In een klimaat van milieuverontreiniging

17 december 2020 Algemeen 545

 

Fossiele brandstoffen

Tot voor kort was er geen vuiltje ‘in’ de lucht. Sinds het begin van de industriële omwenteling omstreeks het midden van de 19de eeuw teerden de energieproductie en –voorziening in onze contreien vooral op de verbranding van fossiele brandstoffen: steenkool, bruinkool, aardolie, aardgas, …. Het bracht licht alias elektriciteit in de duisternis, zorgde voor gezellige warmte en deed machines en motoren naar hartenlust draaien en produceren. In de zgn. ontwikkelde landen verbeterde de mobiliteit spectaculair … dankzij de verbranding van fossiele brandstoffen: auto’s, vrachtwagens,  vrachtschepen  en vliegtuigen … hoe groter en sneller het gevaarte des te groter de behoefte aan brandstof! Ook de recente globalisering met wereldomvattende handelsstromen, het exploderende ‘wereld’toerisme en het huiselijk comfort (elektrotoestellen, airco, enz. …) stuwen het energieverbruik de hoogte in. Maar de energieproductie op basis van fossiele brandstoffen zadelt de atmosfeer op met een overdosis afval alias schadelijke stoffen. De door deze verbranding supplementair geproduceerde  ‘CO2’ voegt zich bij de natuur-eigen,  levensnoodzakelijke CO2 in onze atmosfeer (cfr. de blog: ‘In de ban van het klimaat’.) Logischerwijs zorgt dit voor een versterking van het broeikaseffect en een verhoging van de temperatuur.

Houtverbranding

In de allervroegste fase na de landname gedroeg de mens zich als een nomade wiens struggle for life gebaseerd was op pluk, jacht en visvangst. Hij leefde in harmonie met de natuur; straffer nog, hij was een deel van de natuur. De beslissing om deze nomadische levenswijze op te geven en zich permanent op dezelfde plaats in nederzettingen te vestigen, was slechts mogelijk door het plaatselijk rooien van het oerwoud en op die ontboste arealen aan landbouw te doen. Het gerooide hout werd optimaal gebruikt (huisvesting, gebruiksvoorwerpen, werktuigen, wapens, enz.). Met het minderwaardig hakhout stookte men vuurtje, o.a. voor het bereiden van maaltijden.  Mettertijd en a fortiori na de industriële omwenteling werd er ten behoeve van de exponentiële toename van de bevolking en de vraag naar steeds meer gronden voor landbouw, industrie, wonen en recreëren almaar meer ontbost. Gedurende gans deze evolutie is de mens steeds levend hout blijven gebruiken als grondstof –o.m. in de meubelindustrie– en brandstof voor ovens en kachels. Alhoewel ook dit proces CO2 uitstoot, tolereren we het zolang elke gerooide boom door een jong exemplaar wordt vervangen. Trouwens, deze vorm van houtverbranding lijkt me in onze verstedelijkte en verappartementiseerde samenleving –ook in het ‘agrarische’ Haspengouw!– een snel uitdovend vuurtje.

Klimaatbomen

Onder de noemer ‘levend hout’ behoort ook de recente rage ‘klimaatbomen’ … in mijn ogen zowat het toppunt van hypocrisie. Vooral lokale besturen nemen hiervoor de spade ter hand om hun milieubewustzijn in de verf te zetten. Gedurende meerdere decennia hebben deze lokale besturen de verstedelijking van Vochtig-Haspengouw mede georkestreerd: honderden hectaren vruchtbare zandleemgrond werden met hun goedkeuring opgeofferd voor nieuwe woonwijken en de creatie van industrieterreinen waarboven thans giftige wolken hangen. Als goedkoop excuus voor deze milieumisdrijven worden nu hier en daar en met veel poeha enkele zgn. klimaatbomen neergepoot. Ze durven je zelfs wijs te maken dat ze voor je welzijn nieuwe bossen creëren. Welnu, tegen de tijd dat de huidige aanplant van deze klimaatbomen een volwassen bos geworden is –we zijn dan al ten vroegste in het begin van de 22ste eeuw!– hoop ik dat hun bestaansreden achterhaald is en de actuele milieuverontreiniging opgelost!

Fijnstof

Naast tonnen CO2 brengt de verbranding van fossiele brandstoffen ook bergen fijnstof in de atmosfeer. Het betreft in de eerste plaats “roet” alias microrestanten van biologische organismen waaruit fossiele brandstoffen zijn opgebouwd. Het is te vergelijken met het fijnstof dat rokers –met of zonder filter en al dan niet inhalerend– in de lucht blazen. Een belangrijke bron van dit fijnstof in de nabijheid van het aardoppervlak is het verkeer, vooral dieselmotoren zijn kop van jut. Het inspireerde overheden in het recente verleden tot de invoering van de zgn. ‘lage emissiezones’ … afgebakende, vooral stedelijke arealen waar roetverspreiders zo niet geweerd dan toch stevig beboet worden. Dit fijnstof is echter overal en altijd –dus ook buiten de artificieel afgebakende lage emissiezones– ongezond en schadelijk: het tast de luchtkwaliteit en onze gezondheid aan en het veroorzaakt o.m. longziekten die dodelijk kunnen zijn. Ze hebben echter geen enkele invloed op de opwarming van de atmosfeer, integendeel zelfs. Ze zorgen zoals een meteorietinslag (cfr. het fatale lot van de dino’s in de vorige blog ‘In de ban van het klimaat’) of grote explosieve vulkaanuitbarstingen eerder voor een afkoeling die de opwarming door de antropogene CO2-uitstoot tijdelijk neutraliseert of tenminste tempert. N.v.d.r.: het hogergenoemd fijnstof mag niet verward worden met het fijn stof –alias löss of leem– dat tijdens de laatste ijstijd door noordenwinden in onze contreien werd aangevoerd en zodoende Haspengouw voorbestemde om later een vruchtbare landbouwstreek te worden … en hopelijk nog lang te blijven. Verguis dus niet alle fijn stof als fijnstof!

Intermezzo: corona, een fijnstof?

Alhoewel ‘specialisten’ –lees: rechtstreeks betrokkenen– dit wellicht betwijfelen, vind ik dat ook het piepkleine en het voor ons onzichtbare coronavirus een variante van fijnstof is. Waar het precies vandaan komt is nu nog een mysterie dat pas in de toekomst zal of mag uitgeklaard worden. Wat momenteel wel vaststaat is: de mens verspreidt het onding via de lucht zo niet heeft het dragen van mondkapjes en het houden van afstand geen enkele zin. Alle getroffen ‘coronamaatregelen’ zijn hierop gebaseerd. Dit inspireert mij tot de formulering van onderstaande hypothese omtrent een menselijk milieudrama dat zich in 2020 in Haspengouw voltrok. Tijdens de eerste golf (maart-april) van de coronapandemie werden een zwerm Haspengouwse buurgemeenten bijzonder zwaar getroffen: o.m. in Alken, Sint-Truiden, Nieuwerkerken, Geetbets en Zoutleew rukte covid-19 verhoudingsgewijs veel meer oudere mensen uit het leven dan elders op het Vlaamse platteland. Welnu, al deze gemeenten behoren tot de kern van de Haspengouwse fruitstreek waar men in de jaren zeventig van de 20ste eeuw resoluut van hoog- naar laagstam omschakelde. Deze transitie ging aanvankelijk (ca. 1970-85) gepaard met het kwistig gebruik van overdosissen schadelelijke sproeistoffen en radicale verdelgingsmiddelen. Kortom, een milieudelict waarbij ook heel wat onschadelijke organismen onnodig zo niet onmiddellijk geliquideerd, dan toch levensbedreigend ‘geraakt’ werden. Dankzij een betere wetenschappelijke ondersteuning en onder druk van het groene gedachtengoed is men in de fruitsector vanaf ca. 1985 overgeschakeld naar het gebruik van gewasbeschermingstechnieken waarbij de ‘bedreiger’ van het fruit gericht uitgeschakeld wordt. Maar het kwaad was geschied: in de eerste fase van de laagstamteelt ademden de alle inwoners van de hogergenoemde Haspengouwse dorpen met volle teugen de schadelijke stoffen in en raakten heel wat longen beschadigd. Welnu, de agressieve longziekte covid-19, is een deel van deze onfortuinlijke Haspengouwers –jonge mensen in 1965/85– dit voorjaar fataal geworden. Deze verklaring is voor mij dé oorzaak –en niet een carnavalstoet of een fuif– van de abnormale oversterfte in de hogergenoemde gemeenten. Als geïsoleerde Lapis, mors-abolescens beschik ik niet over de nodige data om deze hypothese wetenschappelijk te staven maar hoop ik dat bevoegde ‘officiële’ onderzoeksinstellingen ze zullen nuanceren, ontkrachten of bevestigen … als dit tenminste door de zgn. financieel sterke belangengroepen getolereerd wordt!

Hernieuwbare energiebronnen

Omwille van de gevaren voor het milieu en bedreigingen voor de volksgezondheid zijn we verplicht om zonder dralen een definitieve, dikke streep te trekken door het gebruik van fossiele brandstoffen. Om in de toekomst de lamp brandend en de motoren draaiend te houden, moeten hoogdringend milieuneutrale energiebronnen aangeboord worden. Moeilijk is deze zoektocht allerminst, voor de hand liggend zelfs. De oplossing wordt quasi gratis –en daar schuilt m.i. juist het politieke getreuzel– door de natuur zelf aangereikt: de zon, de wind, het water, de bodem, … De langetermijnoplossing om het milieu gezond en duurzaam naar de toekomst te loodsen is de verdere ontwikkeling en optimalisering van zonne-energie (zonnepanelen), windenergie (windturbines te land en ter zee), waterkrachtcentrales (de zgn. witte stroom) en alle andere spitsvondigheden en nieuwe technologieën waarvan we nu nog geen weet hebben. In tegenstelling tot de recente uitspraak van onze Eerste Minister zijn er in het ‘te vlakke’ Vlaanderen wel tal van mogelijkheden om stromend water actief te betrekken bij de energievoorziening.   Eeuwenlang leverden wind- en watermolens – voor zover ze het sloopvirus overleefden … industriële archeologie– de broodnodige energie aan onze voorouders. Op de Haspengouwse molenbeken draaiden ooit –in de tijd dat hun helder water nog een paradijs voor vissen en kreeften was!– een dozijn dozijnen molenraderen. Hierbij pleit ik niet alleen voor mega-installaties, maar ook en vooral voor (uiterst) kleinschalige projecten waaraan de gewone man alias de verbruiker participeert. Als ode aan het milieu zou ik in mijn tuintje liever een windmolentje dan een extra klimaatboom inplanten! Ik geloof hierbij honderduit in de kracht van de wetenschap en techniek dat ze ‘super’batterijen zullen ontwikkelen om deze milieuvriendelijke energie in tijden van overproductie tijdelijk op te slaan voor later verbruik in stillere, drogere of meer bewolkte omstandigheden. Van de politieke wil om dit proces te bestendigen ben ik helaas minder overtuigd. Het levert immers veel minder evidente mogelijkheden om zware taksen en accijnzen te heffen zoals dit bij het gebruik van fossiele brandstoffen gebeurt. De door onze premier zopas geformuleerde verzuchting “Er zal voor wat België betreft één ploeg van elf miljoen mensen nodig zijn” i.v.m. de onderdrukking van de coronapandemie geldt a fortiori voor een nog grotere bedreiging van het nakende milieudrama.  

Nucleaire energie

Op wereldvlak anticipeerde men op de verstikkende milieugevolgen die de verbranding van fossiele brandstoffen teweegbracht, reeds kort na de Tweede Wereldoorlog door de bouw van kerncentrales. Op zulke hoogtechnologische sites is het mogelijk om op een relatief kleine oppervlakte enorme hoeveelheden atomaire energie en stroom te produceren waarbij geen CO2 in de atmosfeer terecht komt. Maar er zijn andere problemen. Radioactieve straling van verrijkt uranium is levensgevaarlijk, ja zelfs dodelijk. Nucleaire rampen hebben catastrofale gevolgen zoals Tsjernobyl (Rusland; een menselijke fout) en Fukushima (Japan; een tsunami veroorzaakt door een zware aardbeving). En wat te doen met de enorme hoeveelheden radioactief afval? Deze gevaren leidden tot de conclusie dat kernenergie op basis van uranium geen duurzaam alternatief voor fossiele brandstoffen kan zijn en zeker niet in het dicht bevolkte West-Europa. In België staan op dit ogenblik zeven kernreactoren waarvan nog twee effectief in werking zijn. Als alles volgens de politieke plannen verloopt, moeten ook deze uiterlijk tegen 2025 sluiten. Nochtans zou het verstandig zijn om in de huidige overgangsfase van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen milieuneutrale kernenergie te verkiezen boven de bouw van nieuwe milieuvervuilende gascentrales waarvan in sommige kringen sprake is.  Ook professor G. Govers (vicerector KU Leuven) pleit in een artikel in De Standaard (8/12/2020) voor het achter de hand houden van een stuurbare energiebron die we kunnen aanzetten als er minder hernieuwbare energie voorhanden is en dat kan kernenergie zijn. Bovendien zijn kernfysici wereldwijd bezig met onderzoek naar kernenergie op basis van thorium … een grondstof met een veel lager radioactief risico dan uranium. Laat ons dit nucleair alternatief –tenminste in de overgangsfase– een serieuze kans geven.

Ook waterstof biedt mogelijkheden als alternatief voor fossiele brandstoffen en Europa ziet hierin heel wat kansen . Er is groene waterstof die van water wordt gemaakt met groene elektriciteit en er is blauwe waterstof die gemaakt wordt van aardgas via een proces dat veel CO2 produceert. De CO2 moet dan wel opgevangen en gestockeerd worden (wat duur is). En toch promoot de waterstoflobby (lees: de fossiele energielobby) de blauwe waterstof. Dit noem ik dweilen met de kraan open …  allesbehalve een duurzame oplossing!

De landbouw

Over de landbouw –de levensbelangrijke zgn. primaire sector van onze samenleving– zinnige uitspraken doen in één paragraaf van deze milieublog zou oneerlijk zijn. Ik ben van plan om hierover, voor wat Haspengouw betreft, in de nabije toekomst een of meerdere aparte blogs te schrijven. Het verhaal van de landbouw start immers met de landname en is derhalve zo oud als het na-ijstijdse mensdom. Zo’n twee eeuwen geleden kwam de evolutie van de landbouwsector –zoals alle overige sectoren– in een stroomversnelling terecht. Deze evolutie hypothekeert het leefmilieu en het landschap op vele vlakken, o.a. de uitstoot van het sterke broeikasgas methaan door de veestapel,  de bezoedeling van het grond- en oppervlaktewater door chemische meststoffen (o.a. stikstof en fosfaat), de activering van bodemerosie en wateroverlast. Om al deze bedreigingen te neutraliseren is er bij hoogdringendheid overleg nodig tussen alle betrokken partijen –van producent tot consument– die actief zijn in de voedselketen én de bescherming van het milieu. Hierbij moeten de neutrale (milieu)wetenschappers en niet de partijdige politiekers of kapitaalkrachtige belangengroepen het laatste woord krijgen. Mag ik de complexiteit van het hoofdstuk “landbouw” in de hedendaagse milieuproblematiek even bloot leggen met een concreet voorbeeld uit Haspengouw. Momenteel zijn vooral de megastallen –een logisch gevolg van de schaalvergroting na het kantelmoment ‘1958’– een doorn in het oog van de groenen. Ze stellen een terugkeer naar meer en kleinere bedrijven voor. Dit lijkt me zonder tal van andere ingrepen in Vochtig-Haspengouw gewoonweg onrealistisch omdat er sinds het kantelmoment ‘1958’ duizenden hectaren vruchtbare landbouwgrond verloren gingen door de verstedelijking van het platteland, met name de creatie van nieuwe woonwijken en verkavelingen,  de verdichting van de lintbebouwing, de inplanting van industrieterreinen, de herbebossing al dan niet met klimaatbomen. Ik bedoel hiermee: ten behoeve van een leefbaar milieu dringen zich in de landbouwsector correcties en aanpassingen op maar deze moeten de broze evenwichten tussen alle betrokken sectoren respecteren.

Mijn conclusie

Om de elementaire menselijke brandstof ‘propere lucht’ en ons leefmilieu te beschermen moet onze energieproductie bij hoogdringendheid en resoluut overschakelen van fossiele grondstoffen naar hernieuwbare energiebronnen. Hierbij mag in de overgangsfase de hulp van kernenergie niet zomaar afgestoten worden. Bovenop moet de impact van de hedendaagse landbouw op de milieuvervuiling op een verantwoorde en wetenschappelijk onderbouwde wijze geneutraliseerd worden. Wanneer deze voorwaarden gerealiseerd zijn en de temperatuur op aarde stijgt nog steeds dan hebben we de climax van de aan gang zijnde, natuurlijke warmere oscillatie nog niet bereikt. Mocht de temperatuur dan echter stagneren of dalen, dan zijn onze nazaten met zijn allen op weg naar een volgende koelere oscillatie die ik nu voor alle duidelijkheid even de postcorona-ijstijd noem.

Toen ik in 1982, aan het begin van mijn postuniversitaire loopbaan, aan het toenmalig Vlaams Commissariaat-Generaal voor Toerisme (thans Toerisme Vlaanderen) het theoretisch begrip ‘geotoerisme’ definieerde, heb ik deze visie in klare taal en suggestief samengevat in drie werkwoorden: “zien, inzien, ontzien”. In dit klimaat heb in alle stilte tientallen geogidsen en vijf Haspengouw-monografieën geschreven en bezield. Dat 40 jaar later het begrip ‘geotoerisme’ nog steeds niet in een woordenboek opgenomen is, kan me geen reet schelen. Maar dat de weg ‘zien, inzien, ontzien’ om de hogergenoemde milieudelicten te bestrijden genegeerd wordt, vind ik des te erger.     

 

 

Lapis, mors-abolescens.
17 december 2020


Scroll to Top
Scroll to Top